Rudi Künzel

Invallen

Hier volgt een selectie van de invallen die ik gedurende mijn hele werkzame leven heb verzameld. Ik noteerde wat bij me opkwam bij het lezen van wetenschappelijke publicaties, maakte notities over onderzoek dat ik misschien wilde gaan doen en veegde restpartijen bij elkaar die overbleven na het afronden van een onderzoek. Deze invallen noteerde ik voor mezelf en ze hoefden dus alleen voor mezelf begrijpelijk te zijn.


Nu ik ze publiceer wil ik anderen bereiken. Wat ik schrijf moet het hebben van de ideeën die er achter zitten, maar die moeten wel begrijpelijk zijn. Dat vergt enige aanpassing. Tegelijkertijd wil ik dat het beknopte stukjes blijven; ik ga er niet alsnog complete, afgeronde essays van maken.


Elke maand zal hier een nieuwe reeks invallen verschijnen.


Reacties zijn welkom, zie mijn email adres hieronder. Als u / je een seintje wil krijgen wanneer er nieuwe tekst is gepubliceerd, stuur me dan een mail:

Invallen 2002-2010

GESCHIEDENIS

Hoe de geschiedwetenschap verandert

De geschiedwetenschap in haar totale ontwikkeling is als een landschap met veel verlaten nederzettingen (Wüstungen). Oriëntaties zijn vaak eerder verlaten dan weerlegd.


Daarom is het mogelijk beter te spreken over collectieve interesse voor een bepaald onderwerp dan over de relevantie daarvan. Dat waar de interesse in een gegeven periode naar uitgaat wordt relevant gevonden. (2005)

Mentaliteitsgeschiedenis van een wetenschap

Hoe de interesses verschuiven is vaak het eerst waarneembaar in de wandelgangen, informele fora van vakgenoten. Symptomen van het verschuiven van interesses zijn te vinden in verhalen over voorgangers en tijdgenoten. Minieme nuanceringen dragen bij aan reputaties of doen daar afbreuk aan.


De ideeëngeschiedenis van een wetenschap vaart op expliciete en systematische programmatische uitlatingen van beoefenaren van die wetenschap. Maar de mentaliteitsgeschiedenis van een wetenschap zou zich daarentegen kunnen richten op de snelle terzijdes in de wandelgangen. (2005)

Hoe collectieve ervaringen die een historicus mee beleeft doorweken in zijn/haar benadering van het verleden

Paul Freedman bezag in Images of the medieval peasant de negatieve stereotyperingen van middeleeuwse boeren vanuit zijn ervaring met de civil rights beweging van de jaren zestig in de Verenigde Staten.


Rostoftzeff bezag in zijn geschiedenis van Griekenland en Rome het einde van de antieke wereld vanuit zijn ervaring met de Russische revolutie.


Wilhelm Abel keek volgens Eric Hobsbawm (New Left Review 2010 nr. 1) vanuit zijn ervaring met de crash van 1929 naar de crisis aan het einde van de Middeleeuwen. (2009)

Voorgeschiedenis van de historische antropologie 1

Overzichten over de ontwikkeling van de historische antropologie / mentaliteitsgeschiedenis beginnen nogal eens met de drie pioniers, Huizinga, Bloch en Febvre. Maar een betoog van Peter Burke over de cultuurhistorici van vóór de negentiende eeuw laat zien dat ‘mentaliteit’ mogelijk een perspectief is dat in het werk van veel grote historici geïntegreerd is. Mij vielen daarbij Ibn Khaldûn, Vico en Tocqueville in.[1] (14 juni 2005)


[1] Zie ‘Origins of culturel history’, in : Idem, Varieties of cultural history (Cambridge, 1997), pp. 1-22, in het bijzonder aldaar pp. 14-16, 'The history of modes of thought' en pp. 16-22, ‘The history of culture’. 

Voorgeschiedenis van de historische antropologie 2

Een effect van de dialoog van Franse en andere historici met het Marxisme is hun aandacht voor ‘gewone mensen’. Hierdoor staat de historische antropologie dicht bij de sociale geschiedenis. (febr. 2002)

Situering van de mentaliteitsgeschiedenis / historische antropologie t.o.v. andere wetenschappelijke tradities

De generatie vóór mij had de sociaal-economische verrijking van de juridisch-institutionele benadering doorgevoerd. Ik miste de cultuur en de psychische 'binnenkant' van mensen. Dankzij de historische antropologie is de sociale geschiedenis verrijkt met een mentale dimensie.


T.o.v. het klassieke Marxisme is het concept bovenbouw verruimd: niet alleen kunsten, wetenschappen, religie en andere gesystematiseerde culturele systemen, maar ook de cultuur van alledag en iedereen, de cultuur die de cultureel antropologen bestuderen.


Datzelfde geldt t.a.v. de traditionele cultuurgeschiedenis, niet alleen cultuur met een hoofdletter C, maar ook de cultuur 'van de cultureel antropologen'. (2003)

Verrassende doorbraken

De doorbraak van de nieuwe inzichten die hun neerslag vinden in de historische antropologie doet me denken aan de overgang van Cézanne naar Picasso en Bracque, de halfabstracte fase van Mondriaan, de ontwikkeling in de Westerse muziek van Debussy naar Varèse, en in het oeuvre van Joyce het verschil tussen A portrait of the artist as a young man en Ulysses. (2005)

Het antropologisch-historische perspectief

De historische antropologie als onderzoekstraditie vormt een eenheid niet zozeer door een canon van onderwerpen als wel door een eenheid van perspectief: bij voorbeeld niet arbeid als concrete organisatievorm en collectieve activiteit, maar houdingen tegenover arbeid, niet sekseverschil maar houdingen daar tegenover, enzovoort. Noodzakelijkerwijs staat dit perspectief naast andere en functioneert alleen in dialoog daarmee.


Binnen deze veelheid aan perspectieven lijkt een zeker primaat voor de sociale geschiedenis me op dit moment heilzaam. Dat levert een stevig fundament onder al die mentale fenomenen.


Henk Teunis formuleerde het eens in een gesprek anders: dank zij de historische antropologie zijn onderwerpen die tot dan toe raar gevonden werden opgenomen in de sociale geschiedenis; daardoor is de sociale geschiedenis veranderd. (20-23 apr. 2003)

De historische antropologie gaat over alles

De historische antropologie houdt zich bezig met houdingen tegenover en emoties ten opzichte van alles wat zich aan mensen voordeed: de ecologische gegevens (houdingen tegenover ‘de’ natuur), de biologische gegevens (stadia in de levenscyclus, sekse, enz.), de maatschappelijke gegevens (opvattingen over hoe de gegeven maatschappij in elkaar zit en de eigen plek daarin), enzovoort…


Plus dat je, als je dat goed wil doen, er die ecologische, biologische, maatschappelijke en andere gegevens ook in moet betrekken. Dat maakt dat de historische antropologie over alles gaat. Inzake die 'ecologische, biologische, maatschappelijke en andere gegevens' wordt veel uit onderzoek van andere wetenschappen als uitgangspunt genomen (historische geografie, institutionele geschiedenis enz.). Daarnaast staat de antropologische manier van kijken.


Bovendien is er een comparatief aspect. Antropologisering van de mediëvistiek staat gelijk aan opening naar de wereldgeschiedenis – ook als het comparatieve en transculturele onderzoek op dit moment nog ontbreekt. (ca. 21 juni 2003)

Historische antropologie en ideeëngeschiedenis, de grens daartussen is niet zo scherp

Uit Augustinus, Isidorus van Sevilla en de andere founders of the Middle Ages uitspraken afleiden over ‘gewone mensen’ in de vroege middeleeuwen, kan dat?


Le Goff en velen met hem doen dat als het zo uitkomt. Tom Lutz gebruikt in Een geschiedenis van de traan klakkeloos filosofen en ‘hoge’ literatuur als bronnen die iets zouden zeggen over een hele maatschappij.


Gurevich wilde in Das Individuum im europäischen Mittelalter uitdrukkelijk geen ideeëngeschiedenis bedrijven, toch kwam hij vaak uit bij dezelfde middeleeuwse teksten als Colin Morris, die zich in The discovery of the individual juist wel tot de ideeën wilde beperken. Ook wie zich niet wil richten op de ‘topauteurs’ blijft op hen aangewezen omdat er vaak niet veel anders is. Maar het is noodzakelijk dat je daarbij zo duidelijk mogelijk de samenhang tussen de bronnen die je gebruikt en de reikwijdtes van je conclusies aangeeft. (juli-augustus 2001)

Slaat de mentalisering door?

Tijdens mijn studie, tweede helft jaren vijftig, eerste helft jaren zestig, voelde ik me onbehagelijk bij het omgekeerde: ik vond het te eenzijdig materialistisch (of het zich nu als marxistisch afficheerde of niet) en zoog de eerste tekenen van meer mentale benaderingen uit allerlei hoeken gretig op. Nu denk ik, voeling met de sociale geschiedenis of met zoiets als een vorm van Marxisme blijft voor mij een horizon, iets dat een pool in het denken moet zijn.


Zou die naar mijn smaak eenzijdige nadruk op het mentale, op taal, te maken hebben met opgegroeid zijn in welvaart? Zou er een verband zijn: weinig druk van het materiële, schijnbaar alle ruimte voor de geest? (30 juni 2003)

Relaties tussen groot en klein

Als je claimt dat iets dat beperkt in omvang is exemplarisch is voor een groter geheel, dan moet die relatie geëxpliciteerd worden; het onderzochte staat niet in zijn geheel voor iets groters, maar aspecten van dat onderzochte corresponderen met aspecten van dat grotere geheel; de grotere gehelen die met het exemplarische geval in bepaalde opzichten corresponderen zijn niet steeds dezelfde.[1]


Besançon heeft eens gezegd dat sommige hoogwaardige literaire teksten essenties uitdrukken die verder verzwegen worden, terwijl de 'doorsnee' teksten (bij voorbeeld boeken uit de Bibliothèque bleue, die toen in de belangstelling stond) dat niet doen.


Darnton zegt in zijn essaybundel The great cat massacre dat een voor de onderzoeker ondoorzichtig detail hem de ogen kan openen voor het radicaal anders zijn van de samenleving die hij onderzoekt.[2]

 

Kleinschalig onderzoek scoort vaak hoog wat betreft levensechtheid en laag wat betreft reikwijdte.


Maar er is meer. Kleinschalig onderzoek kan relevantie hebben voor grootschalig onderzoek en omgekeerd. Soms is er alleen door onderzoek op kleine schaal iets waarneembaar dat ook op grote schaal heel sterk doorwerkt. Voorbeeld: de prijzen voor land die wanneer iets aan familieleden verkocht wordt lager zijn dan wanneer het aan niet bekenden verkocht wordt (Giovanni Levi).[3]


Daarentegen is soms pas op macroschaal te zien waardoor er op microschaal iets verandert. Voorbeelden daarvan zijn de wereldwijde epidemieën en de invloed van de toevoer van zilver vanaf de zestiende eeuw uit Latijns Amerika op de prijzen in West-Europa. (oct.- nov. 2003)


[1] Beelden en zelfbeelden van middeleeuwse mensen, p. 269.

[2] The great cat massacre and other episodes in French cultural history (New York, 1984).

[3] In: Peter Burke ed., New pespectives on historical writing (Cambridge, 1991).

Hoe iets groots uit te beelden door iets dat kleiner is in kunst

De toneelstukken van Ibsen, de romans Madame Bovary en L’éducation sentimentale van Flaubert, de films van Ettore Scola... Dit alles kun je zien als vormen van de exemplarische benadering. (mei 2002)

Dossier en reikwijdte

Als je een groot onderwerp wil onderzoeken via een klein bestand aan bronnen moet je expliciteren welke bronnen je geselecteerd hebt en waarom, d.w.z. je moet de relevantie voor de vraagstelling waarschijnlijk maken en aangeven of de conclusies van je onderzoek in voldoende mate gedragen worden door de bronnen die je gebruikt hebt.


Elias werkte in Ueber den Prozess der Zivilisation met een homogeen en goed afgebakend dossier, een reeks manierenboeken uit de periode die hij onderzocht, de late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd. Over het waarom van zijn selectie zegt hij genoeg: hij onderzocht in welke milieus de manierenboeken ontstonden en voor zover mogelijk voor welke publieken ze bestemd waren. En zijn teksten zijn relevant voor zijn vraagstelling: wat valt er uit voorschriften omtrent etiquette op te maken over het al of niet uiten van emoties in het verkeer tussen mensen? De problemen beginnen pas bij de reikwijdte. Kan zijn beperkte dossier zijn vèrgaande conclusies dragen?


Ook Gurevich werkt in zijn boek Medieval popular culture met goed afgebakende bronnenbestanden. Elk hoofdstuk is gebaseerd op één type bron en mondt uit in een heldere, daarop gebaseerde conclusie.


Een heel andere functie hebben bronnen die Bloch citeert in La société féodale. Dat zijn welgekozen illustraties van een betoog. Hetzelfde geldt voor wat Le Goff citeert in La civilisation de l’Occident médiéval. (5-10-03)

Historische kritiek inzake getuigenissen over psychische verschijnselen

Waarheid gaat vaak alleen over de vraag of een bepaald feit zich wel of niet heeft voorgedaan. Adequaatheid betreft de vraag of een onderzocht psychisch verschijnsel herkend, begrepen en recht gedaan is.


Bij getuigenissen uit het verleden over toenmalige psychische verschijnselen is het misschien beter adequaatheid te waarderen dan waarheidsgetrouwheid. Bij hedendaags historisch onderzoek naar psychische verschijnselen uit het verleden geldt mogelijk ook dat adequaatheid eerder na te streven is dan waarheid.


Een criterium van Strubbe in zijn boek over historische kritiek luidt: begrijpt de getuige wat hij waarnam (p. 81). Dat zit in die richting.


Schmitt houdt zich in Les revenants niet bezig met de vraag of God bestaat, maar wel met de vraag hoe men zich God voorstelde. Dit methodisch agnosticisme springt al anders met de waarheid om dan de traditionele historische kritiek. (dec. 2003)

Gesitueerdheid

Wat bepaalt de richting van het onderzoek?

In het algemeen kun je zeggen dat de onderzoeksvragen waar een onderzoeker mee werkt wortelen in

  • de geest van de tijd, de dominante cultuur of de cultuur van een tegenbeweging die prestige heeft
  • de school waartoe je behoort omdat je daarbinnen bent opgeleid of de institutie waartoe je wil behoren bij voorbeeld een plek als Aio binnen een welomschreven project
  • persoonlijke motieven, bewust of onbewust. En combinaties van deze drie. (2003)

Situatie als toegang tot de werkelijkheid

Gesitueerdheid, het je bevinden in een bepaalde situatie[1] stelt ons in staat tot het stellen van vragen. Je moet je gesitueerdheid wel proberen te onderkennen. Je kunt proberen de beperktheid die daaruit voortvloeit te overzien en overhaaste projecties vanuit die situatie te voorkomen. Maar de gesitueerdheid kan niet en hoeft ook niet uitgeschakeld te worden. (9 jan. 2005)


[1] Ik heb deze term ontleend aan de Engelse vertaling - situatedness - van Heideggers term Befindlichkeit, What is an emotion. Classic and contemporary readings, ed. Robert C. Solomon (New York en Oxford, 20032) p. 184.

Aanvullingen op de vijf benaderingen

Ik beschreef vijf benaderingen in de historische antropologie: 1. de middeleeuwse cultuur als een eenheid gezien; 2. de ‘twee blokken’ – benadering; 3. de groepsculturen; 4. het ‘uitsplitsen’ van elementen; 5. de exemplarische benadering.[1]


Een aanvulling op de benadering van de groepsculturen ontleen ik aan een stuk dat Marco Mostert en ik maakten voor een werkcollege Elite- en volkscultuur, najaar 1991. Bij de contacten tussen groepen kan het gaan om:


  • een kloof (‘blocage’)
  • een dialoog
  • wederzijdse beïnvloeding
  • domineren – verzet
  • acculturatie
  • synthese
  • gedeelde loyaliteiten (biculturaliteit)[2]


De vijfde benadering kan uitgebreid worden met de concentrische benadering, de slag bij Bouvines zoals beschreven door Duby, in steeds wijdere kringen om de feitelijke gebeurtenis heen. (24-3-04)


Een andere verrijking van de vijfde benadering is de manier waarop Jeroen Deploige in zijn dissertatie grootschaligheid combineerde met gevalstudies over tendensen die zich niet hebben doorgezet. (7-4-04)


Ik heb in de inleiding van Beelden en zelfbeelden niet verdisconteerd dat er naast sociale lagen ook piramides waren. Die doorsnijden soms de lagen, zo kunnen tot de familia van een klooster aristocraten en boeren behoren. (9-1-04)


Een andere belangrijke formatie is de kleine groep van soortgenoten, bij voorbeeld de bende, een kleinere eenheid binnen een sociale laag (Dhondt, ‘Les “solidarités” médiévales’). (10-5-04)]


[1] Beelden en zelfbeelden van middeleeuwse mensen, pp. 19-25.

[2] Een uitvoerige beschouwing over groepsculturen in mijn boek Middeleeuwse mensen en hun verhalen, pp. 73-82.

Is het mentale te kennen uit materiële resten?

De middeleeuwse archeologen in Amsterdam (Frans Theuws, Toine Huijbers, Maartje Hoogsteijns) willen uit zwijgend materiaal halen welke betekenissen die objecten voor de mensen van destijds hadden. Tot mijn vreugde, het doet denken aan Édouard Salin, over wie ik ze overigens niet hoor.


Toch moet ik ook denken aan de uitspraak van de godsdienstonderzoeker Bleeker (ooit geciteerd door een dispuutsgenoot) dat hij liever godsdiensten onderzoekt die niet alleen objecten hebben nagelaten, zoals de prehistorische godsdiensten, maar ook teksten, omdat, - de formulering weet ik niet meer, maar het kwam er op neer dat je dan met meer zekerheid iets kunt weten over wat er geloofd werd. (nov. 2003)

De actualiteit van Herfsttij

De Boergondische staat was volgens Huizinga in de Herfsttij geen moderne staat, maar een ‘personenverband' met clans en facties. Dit zit sterker in 'Uit de voorgeschiedenis van ons nationaal besef'. Met dat inzicht was hij zijn tijd vooruit.[1]


Huizinga is terecht bekritiseerd om zijn veronachtzaming van economische factoren, maar hij had een scherp oog voor wat wij noemen niet-economische gedragsvormen, machtsverschillen, verplichtingen, van religieuze of rituele aard, ‘ceremonial', noemt Eric Wolf dat. Niet toevallig komt Marcel Mauss in de Herfsttij voor.


Hij werkte comparatief. In hoofdstuk 13 van de Herfsttij, ‘Typen van godsdienstig leven', beperkte hij zich weliswaar tot raakvlakken tussen de heiligen, de religieuze superspecialisten, en het Franse en het Boergondische hof. Maar hij zei ook dat het heiligenideaal een constante is tot ver in de Nieuwe Tijd. Ook als dat niet zo is blijft zijn verdienste dat hij het comparatief, over een lange tijdsafstand, bekeek.


Dat hij een brug naar de antropologie sloeg is bekend. Hij werkte comparatief, niet alleen in de tijd, maar ook in de ruimte. Zo vergeleek hij de westerse met islamitische en boeddhistische heiligen en correspondeerde hij met Malinovski.[2]


In hoofdstuk 17 gebruikt Huizinga spreekwoorden als toegang tot een mentaliteit.[3] Hij heeft het daar ook over de wisselwerking tussen mondelinge en schriftelijke overlevering. Dat is allemaal heel origineel. Maar hij contrasteert ten onrechte de topoi in de schriftelijke overlevering met de soepelheid van de mondelinge overlevering. Spreekwoorden zijn nu juist zinnen met een vaste vorm. Dat bevordert het memoriseren...


Misschien moet het idee dat hij reactionair of conservatief zou zijn geweest wel gerelativeerd worden. Toch is het wel zo dat hij in de Herfsttij voornamelijk oog had voor de elites. Zie in een van de twee hoofdstukken over de liefde zijn bewering dat het volk door de kerk in seksueel opzicht ingetoomd werd, en verder niets.


Opmerkelijk is hoezeer Huizinga gericht was op patronen. in ‘De taak van de cultuurgeschiedenis' noemt hij dat morfologie. Morfologie en ‘vormen van de gedachten’, in de inleiding van de Herfsttij, corresponderen met elkaar, zoals Krul heeft opgemerkt. Bij Huizinga komt het gericht zijn op patronen mogelijk eerder uit de culturele antropologie dan uit de opkomende sociaal-economische geschiedenis.[4]


Uitgesproken niet ‘actueel’ is dat hij geen psychologie wil toepassen. Hij hanteert een raar eigen soort psychologie, zijn idee van de ongeremde middeleeuwer. Hij combineert dit beeld dat gebruikelijk was in zijn tijd met wat hij zelf waarnam en waar hij niet omheen kon, de alomtegenwoordigheid van ritueel in de middeleeuwse maatschappij. Kinderlijke ongeremdheid en strenge vormen - deze twee tegenstrijdige beelden verzoent hij schijnbaar door te stellen dat zulke strenge vormen wel heel erg nodig waren om al die kinderlijke ongeremdheid in te perken.


Vergelijk je dit met recent Amerikaans onderzoek dan zie je iets paradoxaals. White bij voorbeeld ziet middeleeuwse mensen niet als excessief emotioneel, wat dat betreft staat hij tegenover Huizinga, maar hij constateert dat veel gedrag volgens scripts verloopt en in dat opzicht staat hij juist weer dicht bij Huizinga. (1999 handgeschreven, ingevoerd 27 dec. 2003)


[1] Vgl. Leyser, Rule and conflict in an early medieval society: Ottononan Saxony, en nu Althoff, Spielregeln der Politik.

[2] Hij verwijst verder naar Mauss, Essai sur le don – vergelijk het huidig onderzoek naar het uitwisselen van geschenken – en hij citeert op p. 261 en p. 283 William James, Varieties of religious experience.

[3] Vgl. Lakoff en Johnson, Time is money, over metaforen in het dagelijks leven. Zit N.Z. Davis, ‘Proverbial wisdom' ook op dit spoor?

[4] Oestreich in Huizinga-nummer van de BMGN en ook Romein in Op het breukvlak: Huizinga als tegenpool van Lamprecht. Zie ook Dhondt in zijn stuk over Pirenne over de lijn Lamprecht-Pirenne en Walter Simons over Huizinga’s contacten met de Annales.